Categorieën
proza

Wat we niet zagen: Fernweh, Heimweh

Voor Theatermaker verzin ik zes keer per jaar een theatervoorstelling die ik ook meteen recenseer. Ik zie het zelf als korte verhalen in de vorm van een recensie. Een serie speculatieve kritieken, onder de titel: Wat we niet zagen. De mensen bestaan, de producties niet.

FERNWEH, HEIMWEH

Een nieuwgeschreven tekst van Heiner Müller
Met Bert Luppes en stagiairs van ArtEz
Regie Jetse Batelaan


Op een lege bühne flikkeren huizenhoge neonletters met de titel van de voorstelling aan. In dat licht staat Bert Luppes. Hij loopt naar de eerste rij, streelt de wang van een bezoeker. Beschrijft hoe haar huid voelt, beschrijft haar verschijning, tot en met de stof van haar pantalon en ja, daarvoor moet hij even aan de broek zitten. Vervolgens gaat hij door naar stoel twee, daarna drie en zo gaat Luppes het publiek een voor een af.

Het is lang geleden dat we iets van Heiner Müller hebben gehoord. In de interviews voor de première kwam steeds dezelfde pijn naar voren. Geparafraseerd: een acteur kan meerdere keren een scène spelen, maar een auteur kan hem maar één keer schrijven. Daarna is-ie geschreven en kan de schrijver alleen nog maar lezen, en later kijken. De repertoire-auteur verlangt naar wat er nog niet is. En als het er is, heeft hij heimwee naar toen het er nog niet was. Het is daarom dat Müller besloot deze tekst anders aan te pakken. Niet een meta-mashup van Shakespeare, een Griek of zijn eigen dagboeken, nee: Heiner Müller schreef een algoritme, een tekst die nooit af is omdat hij bestaat uit instructies voor een beschrijving van het moment. Heiner Müller schreef een Fernwehmachine.
Roze en blauwe ballonnen zakken uit het grid. Vijftien stagiairs druppelen op en beschrijven mee. Deze mevrouw gaapt en haar mond is groot, die meneer kijkt somber, maar dat maakt hem knap. Eenmaal bij mij aangekomen kijkt stagiair Gokje Niemandsverdriet (houdt haar in de gaten) me aan en zegt met guitig gekrulde lippen: ‘U hebt uw handen zacht in elkaar gevouwen.’ Ze reikt naar mijn schoot. ‘U bent afwachtend.’

Batelaan regisseert de spelers als een stokstaartjesroedel. Hij houdt de toon komisch, mede door absurd uitvergrote attributen en het eindeloos stilstaan bij kleine dingen. Het lijkt in vorm het meest op Beeldbeschrijving, poogt in de inhoud emotioneler en filosofischer te zijn. De ‘momentbeschrijving’ wordt gelardeerd met citaten uit het existentialisme opgelepeld: bestaan gaat vooraf aan essentie, dasein en het afwijzen van de ratio. Mij ging dat allemaal een beetje boven de pet, maar er zijn veel momenten waarop de verschillende teksten bijna bij elkaar lijken te komen om het rond te maken. Een dramaturg was geen luxe geweest.

Ik zag de voorstelling in Zaandam, en daar was de zaal halfgevuld (400 mensen). De geruchten na de première in de Rabozaal hebben de kaartverkoop geen goed gedaan. Müller kan al behoorlijk taai zijn, maar zo’n nauwkeurige publieksbeschrijving is moeilijk te verstouwen. Toch stemt het tot nadenken. Toen ik naar het station rende voor de laatste trein, miste ik het nihilistische nachtje uit. Voor wie al kaarten heeft: ga vooral, maar kijk niet naar de spelers, kijk naar Müller. Hij zit elke avond met open mond starend bij de techniek, zoals een kind vastgeklampt aan een iPad.